JavaScript is required to view this page.
Ga naar inhoud
Schilderij van Herman Berserik met een vrouw, een gebloemde stoel met een brief en een interieur met uitzicht door het raam. Schilderij van Herman Berserik met een vrouw, een gebloemde stoel met een brief en een interieur met uitzicht door het raam.

Herman Berserik: de werkelijkheid nét even anders

Herman Berserik liet zich niet erg dicteren door de kunstmode van zijn tijd. Toen de abstracte kunst na de oorlog steeds nadrukkelijker op de voorgrond trad, bleef Berserik figuratief schilderen. Herkenbaar en vaak met humor. Toch is zijn weergave van de werkelijkheid zelden helemaal vanzelfsprekend: kleur, perspectief of een onverwacht detail kunnen een alledaags tafereel iets vreemds geven.

Zijn onderwerpen vond hij meestal dichtbij huis. Stillevens, interieurs, oude huizen, speelgoed, boten en voorwerpen uit zijn eigen omgeving keren regelmatig terug. Zijn schilderijen omvatten daarnaast zelfportretten, stadsgezichten en landschappen, soms met een surrealistisch trekje.

Herman Berserik en de Haagse kunstwereld

Berserik werd in 1921 geboren in Den Haag en bleef zijn kunstenaarsleven nauw verbonden met de Haagse kunstwereld. Hij studeerde aan de Haagse academie en gaf daar later zelf twintig jaar les. In de jaren vijftig maakte hij deel uit van Verve, samen met onder anderen Jan van Heel, Kees Andrea, Co Westerik en Willem Schrofer. Verve was een van de kunstenaarsgroepen die bijdroegen aan het ontstaan van wat later de Nieuwe Haagse School is gaan heten.

Hoe los zo'n kunstenaarsgroep in werkelijkheid kon zijn, vertelde Berserik jaren later zelf. In november 2001 sprak hij met mijn vader Ton Knoester voor het boek De Nieuwe Haagse School. Terugkijkend op Verve noemde hij het gezelschap:

“een beetje een warrige troep”

Binnen Verve bestond geen vaststaand programma of één stijl waaraan alle leden zich moesten houden. Iedereen kon volgens Berserik binnen de groep gewoon zijn eigen gang gaan.

Schilderij van Herman Berserik met een houten kast in een interieur, 1992.

Herman Berserik, De kast van Thérèse, 1992

Parijs na de oorlog

In hetzelfde interview vertelt Berserik wat de eerste jaren na de oorlog voor deze jonge Haagse schilders betekenden. In zijn academietijd, zo herinnerde hij zich, waren de musea dicht en kende hij veel moderne Franse kunst vooral uit boeken, met kleine reproducties die vaak zwart-wit waren.

Toen reizen na de oorlog weer mogelijk werd, was het verschil enorm. Berserik vertelde dat hij direct na de oorlog in Parijs de verjaardag van Jan van Heel vierde; Van Heel zat daar toen in het atelier van Wim Sinemus. Berserik herinnerde zich:

“In Parijs slurpten we die nieuwe kleuren en invloeden op.”

In Parijs konden ze werken van kunstenaars als Braque, Matisse en Picasso in kleur en op het juiste formaat zien. Volgens Berserik maakte dat een grote indruk op de Haagse kunstenaars. Hij vertelde bijvoorbeeld dat zwart ineens een kleur werd die je bewust kon gebruiken en dat schilderijen door het gebruik van zwart en wit een meer gedempte kleurtoon kregen.

Dat sobere kleurgebruik beschouwde hij later ook als iets typisch Haags. In het interview noemt hij onder anderen zijn leermeesters Rein Draijer en Willem Rozendaal als belangrijke invloeden. Over Rozendaal vertelde Berserik zelfs dat deze soms een beetje vuil van de grond gebruikte om tot een genuanceerde kleurtoon te komen:

“En daar hebben wij allemaal een tik van meegekregen.”

De invloed van de Franse schilderkunst op Berserik zelf was zo duidelijk dat vrienden hem gekscherend ‘Bersebraque’ noemden, een verwijzing naar Georges Braque. Tegelijkertijd ontwikkelde Berserik een heel herkenbare eigen vorm van realisme, waarin hij de zichtbare werkelijkheid naar zijn hand zette door bijvoorbeeld perspectief of kleur te veranderen.

Schilderij van Herman Berserik met een groene locomotief frontaal op het spoor.

Herman Berserik, Portretje locomotief – De tram voor Spijkenisse, 1975

Humor en het onverwachte in het werk van Herman Berserik

Berserik schilderde herkenbare dingen, maar had weinig behoefte ze fotografisch correct weer te geven. Een perspectief mocht vreemd zijn, een object buiten verhouding of een kleur net anders dan verwacht. Daarbij speelt humor geregeld een rol. Niet als een nadrukkelijke grap, maar eerder als iets wat een voorstelling nét een onverwachte draai geeft.

Zijn belangstelling ging bovendien vaak uit naar objecten waaraan al een geschiedenis kleefde: oud speelgoed, apparaten, meubels en andere gebruiksvoorwerpen. Dergelijke voorwerpen kregen in zijn schilderijen vaak een opvallend prominente plaats.

Grafiek vormde daarnaast een belangrijk onderdeel van zijn oeuvre. In 1952 en 1961 kreeg hij de Jacob Marisprijs voor grafiek. Ook in de collectie van Kunstmuseum Den Haag bevindt zich een reeks van zijn prenten.

Illustraties en ontwerp: ‘Er moest brood op de plank komen’

Berserik was niet alleen schilder en graficus. Hij werkte ook jarenlang als illustrator en ontwerper. De jaren na de oorlog waren financieel bepaald niet eenvoudig voor jonge kunstenaars. Berserik zei daarover: “Ik tekende me het lazarus als illustrator en ontwerper. Er moest brood op de plank komen.”

Dat leverde een enorme hoeveelheid werk op. Voor uitgever Bert Bakker ontwierp hij tussen 1954 en 1961 ongeveer 135 omslagen voor de Ooievaar-pocketreeks. Ook illustreerde hij de boeken over Daantje van Leonard Roggeveen. In het interview vertelde hij dat hij daarvoor zo'n 350 illustraties maakte. Berserik vertelde daarbij met plezier: “Sommige kinderen dachten na verloop van tijd dat ik zelf Daantje was.”

Daarnaast werkte hij onder meer voor KLM, scheepvaartmaatschappijen en Philips. En ondertussen, zoals hij zelf droog opmerkte, schilderde hij ook nog.

Schilderen, etsen, boekomslagen ontwerpen en honderden illustraties maken liepen jarenlang door elkaar heen. Het toegepaste werk was noodzakelijk om geld te verdienen, maar schilderen bleef voor Berserik zijn eigenlijke kunstenaarschap.

Kleurenlithografie De koe van Cara van Herman Berserik.

Herman Berserik, De koe van Cara, kleurenlithografie

Een van de laatste Mohikanen

Aan het einde van het gesprek met Ton Knoester keek Berserik in 2001 nog één keer terug op de kunstenaars uit zijn vroege jaren in de naoorlogse Haagse kunstwereld. Wanneer hij werk van de Nieuwe Haagse School weer bij elkaar zag, zei hij, leek het alsof hij opnieuw in zijn “schilderjeugd” terechtkwam.

Voor Berserik was de Nieuwe Haagse School meer dan een kunsthistorisch begrip. Het waren kunstenaars met wie hij een belangrijk deel van zijn ontwikkeling en de naoorlogse Haagse kunstwereld had gedeeld. Toch bleef hij binnen dat gezelschap vooral zijn eigen weg volgen: als figuratief schilder die de werkelijkheid niet hoefde los te laten om er iets eigens van te maken.

Daarna merkte hij op dat hij inmiddels tot “een van de laatste Mohikanen” behoorde en dat je snel moest zijn als je de sfeer van die tijd nog uit eerste hand wilde vastleggen.

Enkele maanden later, in maart 2002, overleed Herman Berserik.

Bronnen en literatuur

Ton Knoester en Roelie Knoester-Penninkhof, De Nieuwe Haagse School, interview met Herman Berserik door Ton Knoester, 8 november 2001.

Kunstmuseum Den Haag, collectie- en tentoonstellingsinformatie over Herman Berserik.

Wilma van der Pennen, ‘Hermanus Berserik’, in Lexicon van de jeugdliteratuur, geraadpleegd via DBNL.

Dingenus van de Vrie, ‘Als een ooievaar binnenvliegt leest het hele huisgezin’, over de vormgeving van de Ooievaar-reeks van uitgeverij Bert Bakker, geraadpleegd via DBNL.

Back to top